ECLI:NL:CRVB:2015:4551
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens vermogen uit schadevergoeding na verkeersongeval
Appellant heeft op 5 april 2012 een verkeersongeval gehad en een schadevergoeding van €40.000,- ontvangen van Nationale Nederlanden, waarvan €25.000,- als voorschot tussen april 2012 en augustus 2013 werd betaald. Op 29 mei 2013 meldde appellant zich voor bijstand en diende op 29 juni 2013 een aanvraag in. Het college stelde de aanvraag op 22 juli 2013 buiten behandeling vanwege het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens over de schadevergoeding.
Op 10 oktober 2013 kende het college bijstand toe met ingang van 12 september 2013, waarbij rekening werd gehouden met het vermogen van €15.000,- dat appellant op dat moment beschikte. Het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2013 werd op 14 november 2013 ongegrond verklaard, maar bij besluit van 17 maart 2014 werd dit ingetrokken en de aanvraag afgewezen voor de periode tot 12 september 2013 omdat appellant moest interen op €25.000,- vermogen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 14 november 2013 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, omdat appellant onvoldoende had onderbouwd welk deel van de schadevergoeding materiële dan wel immateriële schade betrof. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Raad volgde de rechtbank en bevestigde het oordeel dat appellant geen recht had op bijstand voor de periode tot 12 september 2013.
De Centrale Raad van Beroep zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde de aangevallen uitspraak. De beslissing werd genomen door voorzitter Bel en leden Hillen en Zimmerman op 15 december 2015.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag werd afgewezen omdat appellant moest interen op een schadevergoeding van €25.000,- en onvoldoende onderbouwing gaf voor het onderscheid tussen materiële en immateriële schade.