ECLI:NL:CRVB:2015:4504
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 35-45%
Appellante ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na een herbeoordeling door het UWV werd deze mate van arbeidsongeschiktheid bevestigd en werd de uitkering per 29 augustus 2013 beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de beperkingen zoals vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 juni 2013 juist waren vastgesteld. De rechtbank vond geen aanleiding om de medische conclusies te betwijfelen, ook niet de allergie voor huisstofmijt die in acht was genomen.
In hoger beroep stelde appellante dat de verzekeringsarts meer beperkingen had moeten aannemen op basis van een brief van haar behandelend psycholoog en dat zij last had van gevoelige luchtwegen en eczeem. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek en de daarop gebaseerde oordelen juist waren en dat de brief van de psycholoog niet tot een ander oordeel leidde. De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellante en dat de uitkering terecht was beëindigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.