ECLI:NL:CRVB:2015:4441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, die sinds 1999 een WAO-uitkering ontving vanwege ernstige nek-, schouder- en spanningsklachten, kreeg haar uitkering in 2013 beëindigd omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Zowel het bezwaar tegen dit besluit als het beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde appellante dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, dat psychiater Henselmans vooringenomen was en dat haar depressieve stoornis ten onrechte werd genegeerd. Zij verzocht ook om een onafhankelijke deskundige.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en volledig was, dat Henselmans zijn afwijkende oordeel van eerdere psychiaters goed motiveerde en dat de stelling van een depressie niet werd ondersteund door objectieve medische gegevens. De arbeidskundige rapporten toonden aan dat appellante de geduide functies met haar beperkingen kan vervullen.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de beëindiging van de WAO-uitkering bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De beëindiging van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.