ECLI:NL:CRVB:2015:4322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na myocardinfarct
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en viel uit na een myocardinfarct in 2010. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 44% vast, later herzien naar minder dan 35%, waardoor het recht op WIA-uitkering werd beëindigd per 13 november 2013.
Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening en stelde dat zijn vermoeidheidsklachten onvoldoende waren meegewogen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek handhaafde het UWV het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen werden onderschat. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsartsen de beperkingen adequaat hadden vastgesteld, mede gezien de verbeterde hartfunctie. De arbeidsdeskundige bevestigde dat appellant geschikt is voor de voorbeeldfuncties.
Het hoger beroep faalde, de aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.