ECLI:NL:CRVB:2015:3900

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2015
Publicatiedatum
9 november 2015
Zaaknummer
14-4146 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:37 AwbArt. 8:39 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:79 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-tijdig ingediend hogerberoepschrift in WWB-zaken ongegrond verklaard

Appellant heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de Centrale Raad van Beroep waarin het hogerberoepschrift niet-ontvankelijk werd verklaard wegens niet-tijdige indiening. De Raad heeft vastgesteld dat de aangevallen uitspraak op correcte wijze aan appellant is toegezonden, waaronder meerdere keren per aangetekende brief, en dat de termijn voor het instellen van hoger beroep duidelijk is gecommuniceerd.

Ondanks herhaalde verzendingen en duidelijke mededelingen over de termijn, werd het hogerberoepschrift pas na de uiterste datum ontvangen. Appellant voerde aan dat de uitspraak niet eerder bekend was dan bij de laatste brief, maar dit werd verworpen omdat het niet afhalen van aangetekende stukken voor risico van de geadresseerde komt.

De Raad concludeert dat er geen omstandigheden zijn die het verzuim rechtvaardigen en dat de rechtbank de uitspraak conform wettelijke voorschriften bekend heeft gemaakt. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-tijdige indiening van het hogerberoepschrift wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 4 november 2015
14/4146 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Den Haag van 14 mei 2014, 14/3114 en 14/2828 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 11 november 2014 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23 september 2015. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 11 november 2014 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Uit de gedingstukken blijkt dat een afschrift van de aangevallen uitspraak op 15 mei 2014 bij aangetekende brief aan het - juiste - adres van appellant is gezonden. Aangezien de rechtbank deze uitspraak retour heeft ontvangen, is de uitspraak op 12 juni 2014 nogmaals aan appellant gezonden. Daarbij is appellant erop gewezen dat de tweede verzending van de uitspraak geen verandering brengt in de termijn voor het instellen van hoger beroep. Nadat appellant bij brief gedateerd 8 juni 2014, maar bij de rechtbank ontvangen op 10 juli 2014, had geïnformeerd naar de stand van zaken, heeft de rechtbank op 17 juli 2014 wederom een afschrift van de uitspraak aan appellant gezonden. Daarbij is appellant erop gewezen dat (ook) de derde verzending van de uitspraak geen wijziging brengt in de termijn voor het instellen van hoger beroep. De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was aldus 26 juni 2014. Het hogerberoepschrift is op 23 juli 2014 bij de Raad ontvangen. Daarmee staat vast dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend.
In verzet heeft appellant aangevoerd dat de uitspraak niet eerder bij hem bekend is geworden dan bij de brief van de rechtbank van 17 juli 2014 en dat niet is gebleken wanneer en aan wie de uitspraak in eerste instantie is toegezonden. De Raad ziet hierin geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het niet afhalen van aangetekende stukken is voor risico van de geadresseerde. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Het beroep van appellant op (strijd met) artikel 8:39, eerste lid, van de Awb kan de Raad niet volgen. De rechtbank heeft de aangevallen uitspraak op de in de artikelen 8:37, eerste lid, en 8:79, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze bekendgemaakt.
Het verzet is ongegrond.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van
D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
4 november 2015.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven

HD