ECLI:NL:CRVB:2015:3897

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2015
Publicatiedatum
9 november 2015
Zaaknummer
14/7082 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 52 WWBArt. 7:1 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling Bestuursrechtspraak bij WWB
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit bijzondere bijstand wegens onontvankelijkheid bezwaar en beroep

Appellant diende op 5 november 2013 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na verzoek om bankafschriften bleek dat er mogelijk nog een arbeidsrelatie bestond met een werkgever die niet in Suwinet was geregistreerd. Het college weigerde op 19 december 2013 een voorschot op algemene bijstand (bijzondere bijstand) vanwege onduidelijkheid over het arbeidsverleden van appellant.

Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering, maar het college verklaarde dit bezwaar op 14 maart 2014 kennelijk ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant zich op het standpunt dat het bezwaar en beroep tegen een besluit op grond van artikel 52 WWB Pro niet mogelijk zijn.

De Raad stelde ambtshalve vast dat bezwaar en beroep tegen een voorschotbesluit op grond van artikel 52 WWB Pro inderdaad niet mogelijk zijn, gelet op de artikelen 7:1 en 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht en de Bevoegdheidsregeling Bestuursrechtspraak bij de WWB. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde de Raad het college in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.

De Raad wees erop dat appellant zich voor schadevergoeding wegens niet of niet tijdig betaalde voorschotten tot de civiele rechter moet wenden. Het verzoek om schadevergoeding werd als onbevoegd verklaard. Hiermee is het geschil over de bijzondere bijstand in deze procedure definitief beslecht.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot weigering van het voorschot bijzondere bijstand is niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit is vernietigd.

Uitspraak

14/7082 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
4 december 2014, 14/2245 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dayala. Het college is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 5 november 2013 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2.
Naar aanleiding van die aanvraag heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam appellant bij brief van 12 december 2013 verzocht om alle bankafschriften van de laatste drie maanden over te leggen. Hieruit is naar voren gekomen dat tot en met
10 november 2013 wekelijks een bedrag door [naam B.V.] is gestort op de bankrekening van appellant en dat deze werkgever (nog) niet in Suwinet was vermeld.
1.3.
Bij besluit van 19 december 2013 heeft het college appellant bijzondere bijstand (lees: een voorschot op algemene bijstand) geweigerd. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat nog onduidelijkheid bestaat of appellant nog bij [naam B.V.] werkt.
1.4.
Bij besluit van 23 december 2013 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen.
1.5.
Bij besluit van 14 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2013 kennelijk ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Uit het bestreden besluit blijkt dat het college het verzoek van appellant om een voorschot algemene bijstand als bedoeld in artikel 52 van Pro de WWB heeft afgewezen.
4.2.
De Raad stelt, ambtshalve oordelend, vast dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het instellen van bezwaar en beroep tegen een besluit omtrent de toepassing van artikel 52 van Pro de WWB niet mogelijk is, gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, in verbinding met artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 1, aanhef en onder Wet werk en bijstand, van de bij deze wet behorende bijlage 2 Bevoegdheidsregeling Bestuursrechtspraak.
4.3.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 14 maart 2014 vernietigen, en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2013 niet-ontvankelijk te verklaren.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt voorts dat appellant zich voor vergoeding van schade als gevolg van gesteld niet of niet tijdig betalen van voorschotten tot de civiele rechter zal moeten wenden.
5. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 490,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2013 alsnog niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.470,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 167,- vergoedt;
- verklaart zich voor wat betreft het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding
onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2015.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) J.L. Meijer

HD