ECLI:NL:CRVB:2015:3897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit bijzondere bijstand wegens onontvankelijkheid bezwaar en beroep
Appellant diende op 5 november 2013 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na verzoek om bankafschriften bleek dat er mogelijk nog een arbeidsrelatie bestond met een werkgever die niet in Suwinet was geregistreerd. Het college weigerde op 19 december 2013 een voorschot op algemene bijstand (bijzondere bijstand) vanwege onduidelijkheid over het arbeidsverleden van appellant.
Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering, maar het college verklaarde dit bezwaar op 14 maart 2014 kennelijk ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant zich op het standpunt dat het bezwaar en beroep tegen een besluit op grond van artikel 52 WWB Pro niet mogelijk zijn.
De Raad stelde ambtshalve vast dat bezwaar en beroep tegen een voorschotbesluit op grond van artikel 52 WWB Pro inderdaad niet mogelijk zijn, gelet op de artikelen 7:1 en 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht en de Bevoegdheidsregeling Bestuursrechtspraak bij de WWB. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde de Raad het college in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
De Raad wees erop dat appellant zich voor schadevergoeding wegens niet of niet tijdig betaalde voorschotten tot de civiele rechter moet wenden. Het verzoek om schadevergoeding werd als onbevoegd verklaard. Hiermee is het geschil over de bijzondere bijstand in deze procedure definitief beslecht.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot weigering van het voorschot bijzondere bijstand is niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit is vernietigd.