ECLI:NL:CRVB:2015:3822
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellanten, voormalig gehuwd en samen met vier kinderen, ontvingen bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een melding dat zij vermoedelijk samenwoonden, stelde het dagelijks bestuur een onderzoek in met waarnemingen, buurtonderzoek en huisbezoek. Hieruit bleek dat zij vanaf 12 april 2013 een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van appellante.
Het dagelijks bestuur trok daarom de bijstand met ingang van die datum in en vorderde het teveel ontvangen bedrag van €1.814,38 terug van appellante en appellant. Appellanten voerden aan dat appellant zijn hoofdverblijf niet in de woning had en dat de terugvordering onterecht was, mede vanwege financiële problemen van appellante.
De rechtbank oordeelde dat er voldoende bewijs was voor de gezamenlijke huishouding en dat de inlichtingenplicht was geschonden. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel, stelde dat de aanwezigheid van appellant in de woning voldoende was vastgesteld en verwierp het beroep op dringende redenen en het verweer dat appellant geen profijt had gehad van de bijstand. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding worden bevestigd.