ECLI:NL:CRVB:2015:3793

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2015
Publicatiedatum
30 oktober 2015
Zaaknummer
14/2092 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13, eerste lid, aanhef en onder a WWBArt. 16, eerste lid WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor huurbetaling tijdens detentie wegens ontbreken zeer dringende redenen

Appellante, die sinds geruime tijd bijstand ontving, werd op 14 januari 2013 in voorlopige hechtenis genomen. Zij vroeg bijzondere bijstand aan voor het doorbetalen van haar huur en vaste lasten gedurende haar detentieperiode. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen wees dit verzoek af, omdat appellante gedetineerd was en er geen zeer dringende redenen waren om hiervan af te wijken.

De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de situatie van appellante niet vergelijkbaar was met eerdere zaken waarin wel bijzondere bijstand werd toegekend. Hoewel er sprake was van ernstige psychiatrische problematiek, was er geen acute noodsituatie of risico op psychose door het verlies van de woning. Bovendien hadden de kinderen van appellante de huur voorgeschoten.

In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische problematiek wel degelijk een zeer dringende reden vormde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat dit een herhaling was van eerdere stellingen zonder nieuwe argumenten. De Raad onderschreef de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit tot afwijzing van de bijzondere bijstand.

Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd op 27 oktober 2015 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor huurbetaling tijdens detentie is afgewezen wegens ontbreken van zeer dringende redenen.

Uitspraak

14/2092 WWB
Datum uitspraak: 27 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
27 februari 2014, 13/1001 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.T. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Namens appellante zijn verschenen mr. Huisman en [naam zoon], de zoon van appellante. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds geruime tijd bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante is op 14 januari 2013 in voorlopige hechtenis genomen.
1.2.
Appellante heeft op 13 februari 2013 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de WWB ingediend voor het doorbetalen van de huur en de overige vaste lasten van haar woning gedurende de periode van haar detentie.
1.3.
Bij besluit van 12 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 augustus 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen recht heeft op bijzondere bijstand omdat zij gedetineerd is. Volgens het college zijn geen zeer dringende redenen aanwezig om in afwijking daarvan bijzondere bijstand te verlenen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet in geschil is dat appellante ten tijde van de aanvraag en het bestreden besluit gedetineerd was en dat het college gelet op artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 16 van Pro de WWB terecht heeft geconcludeerd dat appellante geen recht op bijstand heeft, tenzij sprake is van dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB. Van zeer dringende redenen om op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijzondere bijstand aan appellante te verstrekken is de rechtbank niet gebleken. Uit de conclusies van de psychiater Kemperman, de GGZ-psycholoog De Jonge en de reclassering blijkt weliswaar dat bij appellante sprake is van ernstige psychiatrische problematiek en dat de reclassering het wenselijk acht dat appellante na haar detentie terug kan keren naar haar huidige woning, maar daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het verlies van haar woning bij appellante tot een psychose kan/zou leiden, noch dat anderszins sprake is van een acute noodsituatie. De situatie van appellante is naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met die welke in de uitspraak van 7 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2809, aan de orde was, nu er in dat geval, in tegenstelling tot de situatie van appellante, sprake was van een persoon met een lange psychiatrische voorgeschiedenis waarbij de voor hem beschikbare opvang een onhoudbare situatie zou opleveren waaraan hij lichamelijk en geestelijk ten gronde zou gaan en het voortduren daarvan de kans op psychische decompensatie zeer groot zou maken. Er is dan ook geen sprake van een gelijke of vergelijkbare situatie. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat de gestelde behoeftige situatie op geen enkele andere wijze was te verhelpen dan door het verlenen van bijstand. Daarbij heeft de rechtbank laten meewegen dat de kinderen van appellante de huur van de huidige woning hebben voorgeschoten.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat er, gelet op haar psychische problematiek, in haar geval wel degelijk sprake is van een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16 van Pro de WWB.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling
4.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in wezen een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand op goede gronden afgewezen.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) B. Fotchind

HD