Appellante heeft een laattijdige aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen op grond van het feit dat zij na haar achttiende levensjaar meer dan 75% van het maatmaninkomen heeft verdiend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante niet voldoende had onderbouwd dat zij niet naar behoren had gefunctioneerd en dat een aanvullend verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet verplicht was.
In hoger beroep stelde appellante dat een verzekeringsgeneeskundig onderzoek noodzakelijk is voor een juiste beoordeling, ook bij een laattijdige aanvraag. Het UWV liet daarop alsnog een dergelijk onderzoek verrichten, waarbij beperkingen werden vastgesteld, maar de arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek in eerste aanleg een schending van de zorgvuldigheid betekende en vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak. Desondanks werd vastgesteld dat het latere onderzoek en de arbeidsdeskundige rapportage een juiste en deugdelijke motivering vormen, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.