Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB sinds november 2011. Na een heronderzoek in mei 2012 concludeerde het college dat appellante werkzaamheden als schoonheidsspecialiste verrichtte zonder dit te melden, wat een schending van de inlichtingenverplichting opleverde.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten van bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat de werkzaamheden hobbymatig waren en dat het college precies wist wat er speelde.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden professioneel waren en dat appellante haar meldingsplicht had geschonden. Omdat de omvang van de werkzaamheden en inkomsten niet kon worden vastgesteld, was het college niet verplicht een schatting te maken van het recht op bijstand. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden als schoonheidsspecialiste wordt bevestigd.