ECLI:NL:CRVB:2015:3485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens onvoldoende gezamenlijke huishouding onterecht
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en vroeg na detentie opnieuw bijstand aan als alleenstaande ouder. Het college wees de aanvraag af omdat zij meende dat appellante met J, de vader van haar kinderen, een gezamenlijke huishouding voerde. Dit was gebaseerd op diens inschrijving in de GBA en enkele persoonlijke spullen die bij een huisbezoek werden aangetroffen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de enkele inschrijving en spullen onvoldoende bewijs vormen voor het hoofdverblijf van J op het adres. Appellante had verklaard dat J het adres slechts enkele keren per week bezocht en soms overnachtte.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten en de aangevallen uitspraken en droeg het college op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak bevestigt dat feitelijke omstandigheden doorslaggevend zijn bij het vaststellen van een gezamenlijke huishouding, niet alleen administratieve inschrijvingen.
Uitkomst: De besluiten tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding worden vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.