ECLI:NL:CRVB:2015:3391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs van bijstandbehoevendheid
Appellant ontving vanaf februari 2009 bijstand, welke in november 2009 werd beëindigd vanwege zelfstandige werkzaamheden. Na een eerste aanvraag in juni 2012 die buiten behandeling werd gesteld, diende appellant in maart 2013 een nieuwe aanvraag in. Het college wees deze aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, maar kon hij niet met objectieve en verifieerbare gegevens aantonen hoe hij in de noodzakelijke kosten van het bestaan had voorzien vanaf augustus 2012.
De Raad benadrukte dat de bewijslast voor bijstandbehoevendheid bij de aanvrager ligt en dat het niet voldoen aan de inlichtingenplicht een geldige grond is voor weigering. De summiere verklaring van de dochter en enkele opnamebewijzen waren onvoldoende om de noodzakelijke kosten te dekken. Het feit dat appellant later bijstand kreeg na het verstrekken van nieuwe informatie, leidde niet tot een ander oordeel over de bestreden periode.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van bijstandbehoevendheid.