ECLI:NL:CRVB:2015:3384

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 oktober 2015
Publicatiedatum
6 oktober 2015
Zaaknummer
14/4707 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant het griffierecht van €122,- niet binnen de gestelde termijn had betaald. Appellant maakte hiertegen verzet en voerde aan dat hij vanwege zijn financiële situatie niet in verzuim kon worden gesteld.

De Raad overwoog dat in eerdere jurisprudentie is vastgesteld dat wanneer een natuurlijke persoon een netto-inkomen heeft dat minder is dan 90% van de bijstandsnorm en geen vermogen bezit om het griffierecht te betalen, hij niet in verzuim kan worden gesteld. Uit het verzet bleek dat appellant minder dan €856,48 netto per maand beschikte en geen vermogen had om het griffierecht te voldoen.

Daarom oordeelde de Raad dat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was en verklaarde het verzet gegrond. De eerdere uitspraak van 3 maart 2015 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet. De behandeling van het hoger beroep staat gepland op 17 november 2015. Proceskostenvergoeding werd niet toegekend.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van griffierecht is gegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Datum uitspraak: 6 oktober 2015
14/4707 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, en artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 juli 2014, 13/8165 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 en Pro artikel 8:108 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 3 maart 2015 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 3 maart 2015 berust hierop, dat appellant het verschuldigde griffierecht, dat voor hem voor deze zaak € 122,- bedraagt, niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Appellant heeft, met een beroep op de uitspraak van de Raad van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, en gelet op zijn financiële situatie aangevoerd dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.
In de uitspraak van 13 februari 2015 heeft de Raad onder meer overwogen dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang. Hiervan zal sprake zijn bij een rechtzoekende, zijnde een natuurlijke persoon, die aannemelijk maakt dat - op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort - het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en voorts dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang en dient het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende.
In verzet is gebleken dat het netto-inkomen waarover appellant in de periode hier van belang kon beschikken minder bedraagt dan € 856,48 per maand. Voorts is niet gebleken dat appellant beschikte over vermogen waaruit het griffierecht kon worden betaald. In deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant door het niet betalen van het griffierecht in verzuim is geweest, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege dient te blijven.
Het verzet is gegrond. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 3 maart 2015 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. De behandeling ter zitting van het hoger beroep zal op 17 november 2015 plaatsvinden.
Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons in tegenwoordigheid van R. Groothuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) R. Groothuis

HD