Uitspraak
OVERWEGINGEN
4.1. De te beoordelen periode loopt van 21 maart 2013 tot 12 juni 2013.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die zich als dakloze presenteerde, vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende informatie verstrekte over zijn woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt waar hij feitelijk verbleef gedurende de relevante periode van 21 maart tot 12 juni 2013. Appellant gaf tegenstrijdige verklaringen en weigerde gebruik te maken van de nachtopvang, waardoor controle onmogelijk was.
De Raad benadrukte dat ook daklozen controleerbare gegevens moeten aanleveren over hun verblijfplaats om recht op bijstand te kunnen vaststellen. Door niet aan deze informatieplicht te voldoen, schond appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting op grond van artikel 17, eerste lid, WWB. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van feitelijk verblijf.