ECLI:NL:CRVB:2015:3240
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken van beperkingen door ziekte
Appellante, werkzaam als medewerker bakkerij, meldde zich ziek met klachten waaronder urineweginfectie en depressiviteit. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij geen recht had op een WIA-uitkering wegens het ontbreken van beperkingen door ziekte of gebrek per 23 augustus 2013.
Appellante voerde in bezwaar en beroep diverse klachten aan, waaronder psychische problemen en lichamelijke klachten, ondersteund door medische verklaringen van een psycholoog en huisarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat appellante beperkt was door pijnklachten maar voldoende belastbaar bleef voor passende functies, wat leidde tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische beoordeling van het UWV. In hoger beroep werden aanvullende medische stukken overgelegd, maar de Raad volgde de eerdere beoordeling dat deze geen aanleiding gaven om de belastbaarheid op de peildatum te herzien.
De Raad concludeerde dat de psychische en lichamelijke klachten op de peildatum niet zodanig waren dat zij de belastbaarheid substantieel beperkten. Ook de stelling dat de geduide functies de belastbaarheid overschreden werd niet onderbouwd. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep tegen weigering WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en eerdere uitspraak bevestigd.