Uitspraak
12 februari 2014, 13/3969 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die sinds 1995 arbeidsongeschikt is verklaard, verzocht meerdere malen om herziening van zijn WAO-uitkering wegens vermeende toename van zijn lichamelijke en psychische klachten sinds begin 2010/2011. Het UWV weigerde de uitkering toe te kennen omdat uit verzekeringsgeneeskundige rapporten bleek dat de beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de beoordeling in 2006.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat de medische rapporten overtuigend aantonen dat er geen objectieve toename van beperkingen is vastgesteld. De discrepantie tussen klachtenbeleving en objectieve bevindingen werd toegelicht aan de hand van huisartsgegevens, medicatieoverzichten en psychiatrisch onderzoek.
Appellant had verzocht om benoeming van een onafhankelijk medisch deskundige, maar dit werd niet toegewezen omdat geen nieuwe objectieve medische informatie was overgelegd. De Raad wees ook het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten af. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van objectief bewijs van toegenomen beperkingen sinds begin 2011.