ECLI:NL:CRVB:2015:3121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) sinds december 2008. Naar aanleiding van een onderzoek naar verhaal op de onderhoudsplichtige voor haar dochter heeft het college een nader onderzoek ingesteld naar haar vermogens- en inkomenssituatie. Hierbij werd appellante verzocht bankafschriften te overleggen van alle rekeningen op haar naam en die van haar dochter.
Het college stelde vast dat appellante niet tijdig uit eigen beweging melding had gemaakt van alle bankrekeningen en de daarop gestorte bedragen. Dit werd gezien als een schending van haar inlichtingenverplichting. Het college legde daarom een maatregel op van 10% van het benadelingsbedrag.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij zich niet bewust was van de verplichting, maar de Raad oordeelde dat onbekendheid met de wettelijke verplichting onvoldoende is. Appellante behoort deze verplichting te kennen. Ook was er geen reden om de maatregel te matigen gezien de ernst van de gedraging.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 10% wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.