Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die samen met belanghebbende twee kinderen heeft en sinds 2007 co-ouderschap voert, verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om betaling van de helft van de kinderbijslag. De Svb wees dit af op grond van het ontbreken van onderlinge toestemming en afspraken over de kinderbijslag, en stelde dat appellant geen recht had op betaling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond voor de periode van juni 2011 tot en met het derde kwartaal van 2012, omdat vaststond dat de kinderen in gelijke mate werden verzorgd en onderhouden. De Svb bleef echter bij haar standpunt voor de eerdere periode. In hoger beroep betoogde appellant dat hij vanaf 2008 recht had op de helft van de kinderbijslag en dat hij door de Svb onterecht werd belemmerd in het indienen van bezwaar.
De Raad stelde vast dat het besluit van 22 augustus 2008 ten onrechte geen bezwaarclausule bevatte en dat appellant niet in verzuim was geweest met het indienen van bezwaar. Tevens concludeerde de Raad dat het bestreden besluit gebaseerd was op een onjuiste en onvolledige wettelijke grondslag, omdat de Svb uitsluitend artikel 14, derde lid, van de AKW toepaste en niet artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad droeg de Svb op het gebrek te herstellen binnen zes weken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek af en draagt de Sociale Verzekeringsbank op het besluit te herstellen.