ECLI:NL:CRVB:2015:2981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang bij bezwaar en beroep tegen intrekking en opschorting bijstand WWB
Appellant ontving sinds juni 2011 bijstand op grond van de WWB. Het college verlaagde de bijstand meerdere malen en zette deze uiteindelijk stop vanwege onvoldoende medewerking en onduidelijkheid over het woonadres van appellant.
Appellant maakte bezwaar tegen verschillende besluiten, waaronder de blokkering en intrekking van de bijstand. Het college verklaarde het bezwaar tegen de blokkering niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de intrekking van de bijstand inmiddels in rechte onaantastbaar was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en het beroep tegen het besluit inzake de periode 15 tot en met 31 januari 2013 niet-ontvankelijk.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel procesbelang had en dat bezwaar tegen de intrekking niet apart nodig was. De Raad oordeelde dat appellant niet tijdig bezwaar had gemaakt tegen de opschortings- en intrekkingsbesluiten en dat deze daardoor onaantastbaar waren geworden. Ook werd geoordeeld dat het besluit tot intrekking per 1 februari 2013 niet eerder was genomen dan het besluit van 15 januari 2013.
De Raad bevestigde dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard en dat het beroep terecht niet-ontvankelijk was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens ontbreken van procesbelang en tijdig bezwaar.