Uitspraak
27 mei 2014, 13/8272 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg op 1 juli 2013 bijstand aan en gaf daarbij een adres op als hoofdverblijfplaats. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen voerde een onderzoek uit, waaronder observaties en een huisbezoek op 22 augustus 2013, waaruit bleek dat de woning leeg was en er geen aanwijzingen waren dat appellante met haar drie minderjarige kinderen daar woonde.
Het college wees de aanvraag bijstand af wegens het niet aannemelijk maken van het hoofdverblijf op het opgegeven adres en schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dat zij niet op het adres woonde, maar de Raad stelde vast dat de bewijslast bij haar lag en dat de feiten en omstandigheden, zoals de leegstand van de woning en het ontbreken van huishoudelijke spullen, dit niet ondersteunden.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak. Tevens wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.