ECLI:NL:CRVB:2015:2910
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Erkenning van oorlogsgeweld op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Appellant, geboren in 1936 in Nederlands-Indië, heeft meerdere keren een aanvraag ingediend op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Eerdere aanvragen werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld. In 2012 werd een nieuw verzoek ingediend, dat ook werd afgewezen omdat er geen bevestiging was van betrokkenheid bij beschietingen en mishandeling.
Tijdens de zitting en op basis van nieuwe getuigenverklaringen is vastgesteld dat appellant in 1949 mishandeld is door met messen bewapende Indonesische vrijheidsstrijders, waarbij hij gewond raakte en medische behandeling nodig had. Deze verklaringen, gecombineerd met een eerder positief ambtelijk advies, geven voldoende grond om het eerdere besluit te herzien.
De Raad oordeelt dat verweerder het herzieningsverzoek niet in redelijkheid kon afwijzen en vernietigt het bestreden besluit. Er wordt erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over het bezwaar en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en appellant wordt erkend als getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.