Uitspraak
11 juli 2013, 12/1504 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig metaalbewerker, meldde zich ziek met klachten als hoofdpijn, dubbelzien en warme voeten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen onderschat zijn en dat hij de geselecteerde functies niet kan vervullen. Hij overhandigde medische brieven en medicatievoorschriften ter onderbouwing, maar deze werden buiten beschouwing gelaten vanwege te late indiening.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en adequaat was, waarbij ook informatie van diverse specialisten was betrokken. De beperkingen van appellant zijn juist vastgesteld en gemotiveerd in de Functionele Mogelijkhedenlijst.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet voldoende objectief medisch bewijs heeft geleverd om de vastgestelde belastbaarheid te betwisten. De arbeidskundige rapporten tonen aan dat appellant met zijn beperkingen geschikt is voor de geselecteerde functies.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.