Uitspraak
25 maart 2014, 13/5546 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte geen tijdig bezwaar tegen het besluit van het UWV van 29 mei 2013 waarin werd vastgesteld dat hij geen recht had op een WIA-uitkering vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. De werkgever maakte wel bezwaar, maar dit bezwaar werd niet geacht namens appellant te zijn ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk omdat hij geen bezwaar had gemaakt en geen omstandigheden had aangevoerd die het onmogelijk maakten om bezwaar te maken. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel bezwaar had gemaakt via zijn werkgever en dat zijn psychische beperkingen en taalproblemen hem verhinderden zelf bezwaar te maken. Ook betwistte hij de medische beoordeling.
De Raad oordeelde dat het bezwaar van de werkgever niet mede namens appellant was ingediend en dat appellant redelijkerwijs kon worden verweten geen eigen bezwaar te maken. De omstandigheden van appellant waren onvoldoende om hem te vrijwaren van deze verplichting. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en bleef de uitspraak van de rechtbank in stand.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van tijdig bezwaar.