ECLI:NL:CRVB:2015:2663
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant, voormalig medewerker tuinbouw, ontving sinds 2000 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100% na een gebroken arm en psychische klachten. Na heronderzoek en een psychiatrisch expertisebesluit van het UWV werd de uitkering in 2012 beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen door het UWV en de rechtbank. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische beperkingen werden onderschat en overhandigde meerdere psychiatrische rapporten, waaronder een contra-expertise. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijk medisch deskundige.
De Raad oordeelde dat er geen reden was om aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De verzekeringsarts had uitvoerig onderzoek gedaan en motiveerde dat appellant geen ernstige psychiatrische stoornis heeft, met aanwijzingen voor simulatie. De aanvullende rapporten boden onvoldoende grond voor twijfel. Ook de arbeidskundige rapporten toonden aan dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de beëindiging van de WAO-uitkering bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor benoeming van een onafhankelijk deskundige of toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De beëindiging van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is.