ECLI:NL:CRVB:2015:2557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WIA-uitkering bij verrichten maatgevende arbeid ondanks beperkingen
Appellante vordert een WIA-uitkering, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft vastgesteld dat zij haar maatgevende arbeid kan verrichten en daarom geen recht heeft op een uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet werden overschreden door de belasting in de maatgevende arbeid.
In hoger beroep stelt appellante dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met het rapport herindicatie WSW en de bijzondere omstandigheden van haar arbeidsrelatie, waaronder het geldende ontslagverbod in WSW-verband. Het Uwv stelt subsidiair dat appellante ook niet in aanmerking komt voor een uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn in het vrije bedrijfsleven.
De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de belastbaarheid niet wordt overschreden en dat het rapport herindicatie WSW voldoende is meegewogen, mede omdat de werkgever rekening houdt met haar individuele mogelijkheden. Omdat de primaire grondslag voor weigering standhoudt, wordt de subsidiaire grond niet beoordeeld.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante komt niet in aanmerking voor een WIA-uitkering.