Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- wijst het verzoek tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant had sinds 1983 een WAO-uitkering wegens letsel aan linkerarm en plexus cervicobrachialis na een motorongeval in 1982, welke uitkering in 1994 werd ingetrokken. In 2012 verzocht appellant om hernieuwde toekenning van een WAO-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 1996.
Het UWV weigerde dit verzoek, stellende dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na intrekking. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn rugklachten sinds 1996 waren toegenomen en verband hielden met het motorongeval.
De Raad overwoog dat volgens artikel 43a WAO toekenning binnen vijf jaar na intrekking moet plaatsvinden en voortkomen uit dezelfde oorzaak. De Raad stelde vast dat de rugklachten pas vanaf 2000 waren toegenomen en dat de verzekeringsarts overtuigend had gemotiveerd dat er geen causaal verband was tussen het motorongeval en de rugklachten. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van wettelijke rente of proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering om appellant opnieuw in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering wordt bevestigd.