ECLI:NL:CRVB:2015:2261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontvangt sinds 1995 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij onder meer bankafschriften werden opgevraagd, stelde het dagelijks bestuur vast dat appellant in de periode april tot en met juni 2012 regelmatig contante stortingen op zijn bankrekening had ontvangen zonder hiervoor een toereikende verklaring te geven.
Op basis hiervan werd de bijstand over deze periode herzien en werd een bedrag van €1.650,- teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast bij hem legde en niet op alle gronden had beslist.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting uit artikel 17 WWB Pro had geschonden door de stortingen niet te melden. Appellant kon niet aannemelijk maken dat de contante stortingen het gevolg waren van geld dat hij zelf had opgenomen en weer teruggestort. De Raad bevestigde daarom de herziening en terugvordering van de bijstand en wees het hoger beroep af.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland werd bevestigd door de Centrale Raad van Beroep op 7 juli 2015.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.