ECLI:NL:CRVB:2015:2218

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2015
Publicatiedatum
6 juli 2015
Zaaknummer
13-4081 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 3:41 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar en afwijzing invordering Wajong-uitkering na detentie

Appellant ontving vanaf 2004 een Wajong-uitkering die in 2007 werd ingetrokken vanwege detentie langer dan een maand. Het UWV vorderde onverschuldigde uitkeringen terug en legde invorderingskosten op. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

In hoger beroep betoogde appellant dat de besluiten niet deugdelijk waren bekendgemaakt omdat zij naar een adres werden gestuurd waar hij niet meer verbleef. Ook stelde hij dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege zijn situatie. De Raad oordeelde dat het UWV de besluiten naar het laatst bekende adres had gestuurd en dat appellant niet had voldaan aan zijn verplichting om een adreswijziging door te geven.

De Raad vond dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn belangen niet kon behartigen en wees erop dat zijn moeder als tussenpersoon optrad. Omdat appellant geen afzonderlijke gronden tegen het besluit over de invordering had aangevoerd, werd ook dat besluit in stand gelaten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

13/4081 WAJONG, 13/4082 WAJONG
Datum uitspraak: 3 juli 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
20 juni 2013, 13/2591 en 13/2814 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Struik, advocaat, hoger beroep ingesteld en daarbij een drietal rapporten overgelegd.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Struik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 16 december 2003 heeft het Uwv appellant met ingang van
17 januari 2004 in aanmerking gebracht voor een volledige uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellant met ingang van 20 mei 2007 ingetrokken omdat appellant op 20 april 2007 is gedetineerd en de detentie langer dan een maand duurde.
1.2.
Bij besluit van 15 februari 2008 heeft het Uwv appellant bericht dat zijn Wajong-uitkering in verband met inkomsten uit arbeid met ingang van 17 januari 2004 niet wordt uitbetaald en dat een bedrag groot € 18.066,03 bruto aan onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering over de periode van 17 januari 2004 tot en met 31 december 2006 van hem wordt teruggevorderd.
1.3.
Bij besluit van 22 april 2008 heeft het Uwv appellant bericht dat hij een bedrag groot
€ 17.923,68 vóór 2 mei 2008 moet terugbetalen.
1.4.
Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het Uwv aan appellant bericht dat, omdat hij niet (volledig) heeft betaald, hij ook € 681,- aan invorderingskosten verschuldigd is.
1.5.
Bij besluit van 6 september 2012 heeft het Uwv appellant bericht dat, omdat hij niet meer gedetineerd is, met ingang van 30 augustus 2012 de Wajong-uitkering wordt heropend.
1.6.
Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft het Uwv appellant bericht dat hetgeen van hem wordt teruggevorderd ingevorderd zal worden door inhouding van € 390,09 op de
Wajong-uitkering.
1.7.
Bij besluit van 14 februari 2013 (bestreden besluit I) heeft het Uwv de op 4 januari 2013 gemaakte bezwaren van appellant tegen de besluiten van 15 februari 2008, 22 april 2008 en
8 juli 2008 niet-ontvankelijk verklaard.
1.8.
Bij besluit van 18 februari 2013 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2012 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen zowel het bestreden besluit I als het bestreden besluit II ongegrond verklaard.
3.1.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de besluiten van 15 februari 2008,
22 april 2008 en 8 juli 2008 niet deugdelijk kenbaar zijn gemaakt aan hem aangezien zij zijn gezonden aan een adres waarvan het Uwv wist dat hij daar niet meer feitelijk verbleef.
3.1.2.
Mochten deze besluiten wel deugdelijk kenbaar zijn gemaakt dan was de termijnoverschrijding volgens appellant verschoonbaar aangezien appellant niet in staat was om zijn belangen te (laten) behartigen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een reclasseringsadvies van Jeugdzorg en reclassering van 26 april 2013, een Pro Justitia rapport van 16 juli 2007 en een maatregelrapport van het Leger des Heils, Jeugdzorg en Reclassering van 22 juni 2007 ingezonden.
3.2.
Appellant heeft ter zitting toegelicht geen afzonderlijke gronden te hebben tegen bestreden besluit II. Zijn bezwaren tegen bestreden besluit II zijn niet anders dan gelegen in de samenhang met de aangevoerde gronden tegen bestreden besluit I.
3.3.
Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Door middel van overlegging van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 oktober 2013 heeft het Uwv gereageerd op de in 3.1.2. vermelde rapporten.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De hoger beroepsgronden vormen grotendeels een herhaling van de gronden die appellant in eerste aanleg heeft aangevoerd.
4.2.
Allereerst is in geschil of appellant tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 15 februari 2008, 22 april 2008 en 8 juli 2008.
4.3.
Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de in artikel 6:7 van Pro de Awb vermelde bezwaartermijn van zes weken aan met ingang van de dag na die waarop de in 4.2 vermelde besluiten op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41 van Pro de Awb geschiedt bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 1 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7888 en van 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8494) heeft het bestuursorgaan aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van Pro de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatst bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer juist, en de betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen.
4.4.
Appellant stond - onweersproken - in 2008 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres waaraan het Uwv de besluiten heeft gezonden. Vast staat dat appellant het Uwv niet van een adreswijziging in kennis heeft gesteld. Dat appellant wegens detentie geen Wajong-uitkering meer ontving, doet er niet aan af dat het op zijn weg had gelegen om zijn feitelijke woonadres aan het Uwv door te geven, dan wel een voorziening te treffen voor ontvangst en eventuele beantwoording van poststukken. Nu het Uwv de besluiten van 15 februari 2008, 22 april 2008 en 8 juli 2008 naar het bij het Uwv volgens de inschrijving in de GBA laatst bekende adres heeft verzonden, zijn deze besluiten in overeenstemming met artikel 3:41 van Pro de Awb bekendgemaakt. De termijn waarbinnen appellant tijdig een bezwaarschrift had kunnen indienen, heeft een aanvang genomen op de dag na die waarop de besluiten aan hem zijn toegezonden en was ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift op 4 januari 2013 ruimschoots verstreken. Wat appellant overigens heeft aangevoerd, leidt voorts niet tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 30 oktober 2013, in reactie op de in 3.1.2 vermelde rapporten, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet tot het doorgeven van een adreswijziging in staat is geweest noch dat hij zijn belangen niet kon (laten) behartigen. Appellant had ook een derde kunnen inschakelen om tijdig een (voorlopig) bezwaarschrift in te dienen. In dit verband merkt de Raad nog op dat uit bestreden besluit I naar voren komt dat de moeder van appellant bijvoorbeeld in januari en februari 2008 als tussenpersoon optrad in verband met een uitnodiging aan appellant van een opsporingsfunctionaris van het Uwv voor een verhoor op 7 februari 2008. Op die dag deelde zijn moeder telefonisch aan het Uwv mee dat zij de uitnodigingsbrief aan appellant had overhandigd, maar dat hij daarop had gereageerd niet te zullen verschijnen. Er was dus kennelijk sprake van een situatie dat de moeder van appellant in elk geval zijn post behandelde en appellant, voor zover mogelijk, daarover informeerde. Ook daarom lag het, naast het feit dat appellant voortvluchtig was, niet in de rede dat het Uwv de besluiten uit 2008, zoals namens appellant ter zitting nog is aangevoerd, ook aan de betreffende penitentiaire inrichting had gezonden.
4.5.
In hoger beroep is verder in geschil of het bestreden besluit II, waarbij over de invordering is beslist, in rechte stand kan houden. Nu appellant tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit II geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd en uit 4.4 volgt dat het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit I stand houdt, bestaat geen aanleiding bestreden besluit II voor onjuist te houden.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2015.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) W. de Braal

NK