ECLI:NL:CRVB:2015:2159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van ongewijzigde WAO-uitkering wegens ontbreken toename beperkingen
Appellant ontvangt sinds 22 april 2004 een WAO-uitkering vanwege rug-, nek-, been- en psychische klachten. Na een herbeoordeling in 2011 werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%. Eind 2011 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid met toegenomen beenklachten. Het UWV besloot op 6 november 2012 dat de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd bleef en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond.
De rechtbank Oost-Brabant bevestigde dit besluit, stellende dat het UWV geen verplichting had om aanvullende informatie van de behandelend sector op te vragen, tenzij sprake was van een behandeling met significant effect op arbeidsmogelijkheden, wat hier niet het geval was. Ook was geen sprake van verslechtering van psychische problematiek. Het UWV verrichtte geen arbeidskundig onderzoek omdat de medische beperkingen niet waren gewijzigd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de berekening van de arbeidsongeschiktheid onjuist was, maar bracht geen nieuwe objectieve medische stukken aan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV overtuigend had gemotiveerd dat geen sprake was van een aaneengesloten periode van vier weken met toename van beperkingen. De medische grondslag van het besluit was deugdelijk en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak van 8 januari 2014 van de rechtbank Oost-Brabant blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit blijft ongewijzigd.