ECLI:NL:CRVB:2015:2150

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2015
Publicatiedatum
30 juni 2015
Zaaknummer
14-686 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W.H. Bel
  • J.T.H. Zimmerman
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 1 WWBArt. 54 lid 4 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet tijdig aanleveren gevraagde gegevens

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verzocht om gegevens over zijn bedrijf te overleggen. Na het niet volledig en tijdig aanleveren van deze gegevens werd de bijstand opgeschort en vervolgens ingetrokken op grond van artikel 54 lid 4 WWB Pro.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met aanvullende stukken die hij had overgelegd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze stukken in de bezwaarfase of later verstrekt, in principe niet meetellen tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze niet binnen de hersteltermijn konden worden verstrekt.

Appellant slaagde hier niet in en had bovendien geen verzoek om verlenging van de hersteltermijn ingediend. De gevraagde gegevens waren relevant voor de verlening van bijstand en het niet tijdig indienen ervan is appellant aan te rekenen. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens wordt bevestigd.

Uitspraak

14/686 WWB
Datum uitspraak: 30 juni 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
18 december 2013, 13/5102 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. E. Tamas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 29 november 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande
1.2.
Het college heeft bij brief van 5 december 2012, na eerdere brieven, appellant gevraagd voor 14 december 2012 gegevens over zijn bedrijf [naam bedrijf] over te leggen, waaronder een overzicht van de zakelijke rekening met nummer [rekeningnummer 1] vanaf 29 november 2011 tot heden of tot het moment van opheffing van die rekening, de administratie van het bedrijf over de periode van 8 augustus 2011 tot en met 2 april 2012 en een verklaring over de storting van
€ 50,- op zijn rekening met nummer [rekeningnummer 2]. Bij besluit van 17 december 2012 heeft het college de uitbetaling van bijstand met ingang van 1 januari 2013 opgeschort op de grond dat appellant niet alle gevraagde informatie heeft verstrekt en appellant verzocht voor
31 december 2012 contact op te nemen met zijn consulent. Bij besluit van 1 januari 2013 heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2013 opgeschort en appellant in de gelegenheid gesteld tot 15 januari 2013 alsnog de gevraagde gegevens over te leggen. Appellant heeft op 15 januari 2013 enkele gegevens overgelegd.
1.3.
Bij besluit van 15 januari 2013, gehandhaafd bij besluit van 13 mei 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2013 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.
4.2.
Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.
4.3.
De door het college bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens over het bedrijf van appellant zijn gegevens die van belang zijn voor de verlening van bijstand. Verder staat vast dat appellant de gevraagde gegevens niet volledig binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet binnen de gegeven hersteltermijn daarover kon beschikken. Voor zover het opvragen van de ontbrekende gegevens meer tijd zou hebben gevergd dan de gegeven hersteltermijn, had appellant binnen de gegeven hersteltermijn het college om verlenging van die termijn kunnen verzoeken. Dit betekent dat appellant van het niet tijdig indienen een verwijt kan worden gemaakt.
4.4.
Appellant heeft verwezen naar de in beroep bij de rechtbank overgelegde bescheiden en aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op grond van die gegevens het recht op bijstand van appellant kan worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaarfase of later alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien appellant aannemelijk maakt dat het gaat om gegevens of stukken die hij redelijkerwijs niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft kunnen verstrekken. In het voorgaande ligt al besloten dat appellant hierin niet is geslaagd.
4.5.
Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en
J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD