ECLI:NL:CRVB:2015:2086
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als tomatenplukker, meldde zich ziek met klachten van duizeligheid en misselijkheid. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant vanaf 15 augustus 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarmee een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen passend waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn ziekte van Ménière en de daardoor ontstane beperkingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV alle beschikbare medische informatie, waaronder de diagnose van de KNO-arts, had betrokken bij de beoordeling. De Raad benadrukte dat de vaststelling van beperkingen een individuele verzekeringsgeneeskundige beoordeling vereist, die hier adequaat was uitgevoerd.
Verder bevestigde de Raad dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling was gebaseerd medisch geschikt waren voor appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.