ECLI:NL:CRVB:2015:2075
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WIA-uitkeringsweigering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellante viel uit wegens klachten aan polsen, armen en schouders en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij de medische en arbeidskundige beoordelingen van het UWV als zorgvuldig werden beoordeeld.
In hoger beroep stelde appellante dat de beperkingen onjuist waren vastgesteld, mede vanwege eerdere vastgestelde beperkingen in 2010. De Raad oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd, met inbreng van huisarts en reumatoloog, en dat de beperkingen op 2 en 25 september 2012 terecht waren vastgesteld zonder noodzaak voor verdergaande beperkingen.
De Raad vond dat de medische diagnose was bijgesteld van ernstige hyperlaxiteit naar minder ernstige hypermobiliteit, wat de beperkingen verklaart. Ook de arbeidskundige rapporten gaven aan dat de voorgestelde functies medisch geschikt waren. Zonder nieuwe medische gegevens zag de Raad geen reden voor nader onderzoek en bevestigde de aangevallen uitspraak, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen.