ECLI:NL:CRVB:2015:1975
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot verlaging incasso nabestaandenuitkering
Appellant, die een woonruimte verhuurt, werd geconfronteerd met een beslaglegging door een deurwaarder op zijn nabestaandenuitkering vanwege een vonnis dat hem verplichtte een bedrag aan een voormalige huurder te betalen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) verlaagde daarop de uitkering met inachtneming van de beslagvrije voet. Appellant verzocht in 2012 om verlaging van de incasso tot €1,- per maand, wat werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. Appellant stelde dat het beslag ten onrechte was gelegd, maar de Svb benadrukte dat zij niet bevoegd is de geldigheid van het beslag te beoordelen en dat het beslag correct was uitgevoerd.
De Raad oordeelde dat de toetsing van het besluit over de periode voorafgaand aan het verzoek beperkt is tot het bestaan van nieuwe feiten of omstandigheden, welke appellant niet had aangetoond. Voor de periode na het verzoek geldt een minder terughoudende toets, maar de Raad stelde vast dat de Svb binnen het kader van het beslag is gebleven en de beslagvrije voet respecteerde. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het verzoek van appellant af.
Uitkomst: Het verzoek tot verlaging van de incasso op de nabestaandenuitkering wordt afgewezen en de eerdere beslissing bevestigd.