ECLI:NL:CRVB:2015:1902

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juni 2015
Publicatiedatum
16 juni 2015
Zaaknummer
13-2448 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 4:17 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake AOW-toeslag en kostenvergoeding afgewezen wegens ontbreken procesbelang

De zaak betreft een hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank (Svb) tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de AOW-toeslag van betrokkene. Na een tussenuitspraak heeft de Svb een nieuw besluit genomen waarin het bezwaar van betrokkene gegrond werd verklaard en het eerdere besluit werd ingetrokken.

Betrokkene vorderde vergoeding van griffierecht, proceskosten en dwangsommen wegens overschrijding van de beslistermijn. De Svb erkende alleen de vergoeding van proceskosten en griffierecht in beroep, maar wees vergoeding van kosten in bezwaar af wegens ontbreken van bewijs daarvoor.

De Raad oordeelde dat appellant geen belang meer had bij beoordeling van het oorspronkelijke hoger beroep, waardoor dit niet-ontvankelijk werd verklaard. Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard omdat betrokkene geen recht had op vergoeding van kosten in bezwaar. De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep en griffierecht.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 juni 2015.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit wordt ongegrond verklaard met een kostenveroordeling voor de appellant.

Uitspraak

13/2448 AOW
Datum uitspraak: 12 juni 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 maart 2013, 12/4945 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 19 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4153, een tussenuitspraak gedaan.
Ter uitvoering van die tussenuitspraak heeft appellant op 17 februari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar ingezonden. In dat besluit is het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 13 april 2012 ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. P.W.G.J. de Haas, desgevraagd, op 18 maart 2015 een zienswijze ingestuurd over dit nieuwe besluit. Appellant heeft hierop gereageerd in een brief van 20 maart 2015.
Met een brief van 3 april 2015 heeft appellant een bezwaarschrift van mr. ing. L. Springeling, gericht tegen het besluit van 17 februari 2015, aan de Raad toegezonden teneinde dit op grond van artikel 6:19, in verbinding met artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het hoger beroep te betrekken.
De Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet, heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Verwezen wordt naar de tussenuitspraak van 19 december 2014 voor de feiten waarvan wordt uitgegaan bij de oordeelvorming. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
1.2.
Met het besluit van 17 februari 2015 heeft appellant betrokkene laten weten dat de afkoopsom pensioen van de partner van betrokkene niet zal worden gekort op de
AOW-toeslag van betrokkene en dat de terugvordering van de te veel betaalde toeslag niet wordt gehandhaafd.
1.3.
Namens betrokkene is in de brief van 18 maart 2015 vermeld dat aan zijn oorspronkelijk bezwaar tegemoet is gekomen. Wel vordert hij vergoeding van griffierecht en proceskosten. In het bezwaarschrift van 31 maart 2015 worden tevens dwangsommen gevorderd wegens overschrijding door de Svb van de beslistermijn in de oorspronkelijke bezwaarfase. Ook wordt hierin integrale vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand gevorderd in alle instanties.
1.4.
In de nadere reactie van appellant van 20 maart 2015 is aangevoerd dat in de nieuwe beslissing enkel is geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden, nu van voor vergoeding in aanmerking te nemen kosten niet was gebleken. De proceskosten en het griffierecht in beroep zullen worden vergoed conform het bepaalde in de aangevallen uitspraak, evenals de nog door de Raad vast te stellen proceskosten in hoger beroep.
2.1.
Uit het voorgaande volgt dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zal worden.
2.2.
Over het bezwaar dat namens betrokkene is ingediend tegen het besluit van 17 februari 2015 wordt vastgesteld dat de Svb dit op grond van artikel 6:19, in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, terecht aan de Raad heeft toegezonden teneinde dit bij het hoger beroep te betrekken. Voor zover namens betrokkene dwangsommen worden gevorderd van appellant wegens het niet tijdig nemen van het oorspronkelijke besluit op bezwaar, wordt vastgesteld dat het besluit van 17 februari 2015 hierop geen betrekking heeft. Ten overvloede wordt opgemerkt dat uit het dossier niet blijkt dat betrokkene appellant destijds in gebreke heeft gesteld, zoals vereist is op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Hieruit volgt dat het hoger beroep tegen het besluit van 17 februari 2015 in zoverre niet slaagt.
2.3.
Appellant heeft voorts op juiste gronden vastgesteld dat betrokkene geen recht heeft op vergoeding van kosten in bezwaar, nu van voor vergoeding in aanmerking te komen kosten niet is gebleken. Het beroep tegen het besluit van 17 februari 2015 moet daarom ongegrond verklaard worden.
3. Appellant wordt wel veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep, begroot op € 1.225,- voor verleende rechtsbijstand en € 31,- aan reiskosten van betrokkene. Er bestaat geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, nu niet gesproken kan worden van bijzondere omstandigheden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 februari 2015 ongegrond;
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.256,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 478,-.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) M.D.F. de Moor
ew