ECLI:NL:CRVB:2015:1716

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2015
Publicatiedatum
2 juni 2015
Zaaknummer
13-3486 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing UWV over afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij met ingang van 20 juli 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank had dit besluit eerder bevestigd.

In hoger beroep betoogde appellant dat onvoldoende waarde was toegekend aan de medische verklaring van zijn behandelend psychiater en dat het UWV een deskundige psychiater had moeten inschakelen. Tevens stelde hij dat de belasting van de voorgehouden functies zijn belastbaarheid overschreed.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het rapport van de verzekeringsarts, die appellant onderzocht met behulp van een tolk, een juiste weergave gaf van zijn psychische en fysieke belastbaarheid. De medische stukken, waaronder verklaringen van psychologen en psychiaters, gaven geen aanleiding tot twijfel aan dit oordeel. Ook was de belasting van de voorgehouden functies, waaronder de functie wikkelaar samensteller elektronische apparatuur, in overeenstemming met de belastbaarheid van appellant.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Vergoeding van schade en proceskosten werd afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd.

Uitspraak

13/3486 WIA
Datum uitspraak: 22 mei 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
29 mei 2013, 12/2585 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Broens, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2015. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote] en mr. A.A.W. Terpstra.
Het Uwv is met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 8 juni 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is ontstaan, omdat hij met ingang van 20 juli 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 7 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de beschikbare gedingstukken - ook in het licht van de informatie van de behandelend psychiater en het in beroep overgelegde psychologisch rapport - geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de psychische en fysieke belastbaarheid van appellant. Voor een naar aanleiding van de informatie van de behandelend psychiater door de bezwaarverzekeringsarts te initiëren onderzoek door een deskundige bestond naar het oordeel van de rechtbank geen reden. Tot slot overweegt de rechtbank dat het Uwv met de “Resultaat functiebeoordeling” afdoende heeft gemotiveerd waarom de voorgehouden functies - in achtgenomen de belastbaarheid van appellant - aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd.
3.1.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft toegekend aan de medische verklaring van de behandelend psychiater van appellant. Die verklaring heeft, anders dan het Uwv meent, wel relevantie voor de gezondheidssituatie van appellant op de hier in geding zijnde datum, 20 juli 2012. Die verklaring had het Uwv ook reden moeten geven een deskundige psychiater in te schakelen. Voorts is appellant van mening dat de belasting in voorgehouden functies - met name de functie wikkelaar samensteller elektronische apparatuur - de belastbaarheid van appellant overschrijdt.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor zover de aangevoerde gronden betrekking hebben op de medische kant van de schatting is van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv - blijkens zijn rapport van 19 september 2012 - naast dossierstudie appellant in bijzijn van een tolk heeft gesproken en onderzocht. Dat rapport heeft de rechtbank terecht voldoende grond geboden voor het oordeel dat de door die verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een juiste weergave is van de (psychische en fysieke) belastbaarheid van appellant. De door appellant overgelegde brief van 24 januari 2012 van de behandelend psychiater Kaya aan de huisarts van appellant brengt daarin geen verandering. Los van hetgeen de rechtbank naar aanleiding van de inhoud van die brief opmerkt, is nog van belang dat die psychiater reeds op 24 januari 2012 (ruim voor de datum hier in geding) constateert: “Intussen is de situatie enigszins gestabiliseerd, de klachten zijn minder geworden”; voorts constateert deze psychiater dat de depressie gedeeltelijk in remissie is. Mede gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het inschakelen van een deskundige achterwege mocht laten.
4.2.
Het namens appellant overgelegde rapport van de psycholoog H. Otto van A-REA geeft evenmin reden de in de FML opgetekende beperkingen voor onjuist te houden. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank daaromtrent overweegt, wordt nog opgemerkt dat de in dit rapport bij het kopje “2.10 Beschrijving beperkingen” verwoorde (psychische) beperkingen voor het overgrote deel in overeenstemming zijn met de beperkingen welke de verzekeringsarts heeft vermeld in de FML. Voor het aannemen van een urenbeperking - als door de psycholoog Otto bepleit - geven de medische gegevens geen aanleiding. Op dit punt twijfelt de Raad dan ook niet aan oordeel van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep. Ook de in hoger beroep overgelegde brieven van 12 september 2014 en 21 januari 2015 van psychiater in opleiding Zoubin, bij wie appellant eerst sinds mei 2013 onder behandeling is gekomen, leiden gelet op daarin vermelde medische gegevens over de geestelijke gezondheidstoestand van appellant niet tot een ander oordeel. De bezwaren van appellant tegen de vastgestelde fysieke beperkingen worden verder niet door een medisch oordeel onderbouwd. Er is dan ook geen reden te twijfelen aan op dat gebied door verzekeringsartsen in de FML opgetekende belastbaarheid van appellant. In het vorenstaande ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding ziet een deskundige te benoemen.
4.3.
Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan appellant voorgehouden functies qua belasting geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellant. Uitgaande van de juistheid van de FML is ook de belasting in de functie “Wikkelaar samensteller elektronische apparatuur” (SBC 267080) in overeenstemming met de belastbaarheid van appellant. Terecht stelt het Uwv in het verweerschrift dat appellant op het gebied van de punten 5.3 en 5.4 van de FML (staan) slechts “Licht beperkt” is, terwijl de belasting op het aspect “Staan” in deze functie hoofdzakelijk beperkt is tot ongeveer 15 minuten met slechts af en toe een dag waarbij staan meer voorkomt.
4.4.
Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger geen doel treft. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, is voor veroordeling tot vergoeding van schade geen plaats.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2015.
(getekend) H. van Leeuwen
(getekend) P. Uijtdewillegen
GdJ