ECLI:NL:CRVB:2015:1691
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor uitvaartkosten na overlijden echtgenoot
Appellante diende een aanvraag om bijzondere bijstand in voor de uitvaartkosten van haar overleden echtgenoot, die enkele maanden eerder was overleden door een auto-ongeval. De kosten waren al contant voldaan aan de uitvaartonderneming voordat de aanvraag werd ingediend. Het college wees de aanvraag af omdat de kosten al waren voldaan en er geen grond was voor bijstand voor schulden zonder saneringskrediet of dringende redenen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante onvoldoende had aangetoond dat zij verplicht was de leningen van familieleden terug te betalen. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel en stelde vast dat het besluit tot buiten behandelingstelling van een eerdere aanvraag niet meer kan worden aangevochten.
De Raad overwoog dat artikel 35 lid 1 in Pro verbinding met artikel 11 lid 1 van Pro de WWB bijzondere bijstand voor reeds betaalde kosten uitsluit. Ook werd geoordeeld dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van zeer dringende redenen of een saneringskrediet die bijzondere bijstand zouden rechtvaardigen. De verklaringen van familieleden over leningen werden onvoldoende geacht om een terugbetalingsverplichting aan te nemen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor uitvaartkosten die al voor de aanvraag zijn betaald.