ECLI:NL:CRVB:2015:1625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over Ziektewet-uitkering met instandhouding rechtsgevolgen
Appellant, die sinds 2000 arbeidsongeschikt was en een WAO-uitkering ontving, werkte van maart 2008 tot februari 2009 als voorbewerker voor 20 uur per week. Na beëindiging van dit dienstverband ontving hij een Ziektewet-uitkering die het UWV op 18 september 2012 beëindigde, stellende dat appellant geschikt was voor de in 2008 vastgestelde functies. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat appellant op goede gronden hersteld was verklaard.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen door longklachten, diabetes en psychische klachten onjuist waren vastgesteld en dat zijn longklachten waren verergerd. De Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte de in 2008 geselecteerde functies als maatstaf arbeid had gehanteerd, terwijl de juiste maatstaf het werk was dat appellant van maart 2008 tot februari 2009 als voorbewerker verrichtte.
De medische rapporten en het arbeidskundige rapport wezen uit dat appellant op de datum in geding in staat was het werk als voorbewerker naar behoren te verrichten. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onjuiste maatstaf arbeid, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.