ECLI:NL:CRVB:2015:1507
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens bereiken leeftijd jongste kind en geen arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds mei 2010 een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering per 31 maart 2012 omdat het jongste kind van appellante toen de leeftijd van 18 jaar bereikte. Appellante stelde zich arbeidsongeschikt wegens fysieke en psychische problemen, maar het UWV concludeerde na medisch en arbeidskundig onderzoek dat zij niet arbeidsongeschikt was in de zin van de Algemene nabestaandenwet (ANW).
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen de beëindiging van de uitkering ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische grondslag en de geschiktheid van de geduide functies voldoende waren onderbouwd. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, met name schouder- en armklachten en gehoorverlies, onvoldoende waren meegewogen. Zij overhandigde een brief van haar huisarts ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen reden was om te twijfelen aan de juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden door het UWV, mede omdat de brief van de huisarts geen concrete aanwijzingen gaf voor zwaardere beperkingen. De Raad bevestigde dat appellante medisch geschikt is voor de geduide functies en bekrachtigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering omdat appellante niet arbeidsongeschikt is en het jongste kind 18 jaar is geworden.