ECLI:NL:CRVB:2015:1346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toeslag wegens verblijf buiten Nederland
Appellant, met de Nederlandse nationaliteit, ontving een WAO-uitkering en migreerde medio 2011 met behoud van deze uitkering naar Turkije, waar hij in 2012 trouwde. Hij verzocht om een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) per datum van zijn huwelijk, maar dit verzoek werd door het UWV afgewezen omdat hij niet in Nederland woonde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep werd dit oordeel bevestigd. Appellant stelde dat de weigering discriminatoir was, mede omdat hij niet in Nederland kon remigreren vanwege het ontbreken van geschikte woonruimte.
De Raad stelde vast dat artikel 4a, eerste lid, van de TW bepaalt dat geen recht op toeslag bestaat zolang een potentieel rechthebbende buiten Nederland woont. Dit woonplaatsvereiste is ingevoerd bij de Wet beperking export uitkeringen en is objectief gerechtvaardigd. Eerdere jurisprudentie bevestigt dat dit vereiste niet in strijd is met discriminatieverboden uit het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten.
De Raad oordeelde dat de weigering geen verband houdt met de Turkse nationaliteit van appellant of zijn echtgenote, maar uitsluitend met het feit dat appellant niet in Nederland woont. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de toeslag bevestigd vanwege het woonplaatsvereiste.