ECLI:NL:CRVB:2015:1178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van geen toegenomen arbeidsongeschiktheid volgens artikel 39a WAO
Appellant, werkzaam als medewerker op een rozenkwekerij, meldde zich in 1999 ziek met diverse klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend voor 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordelingen in 2005 en bezwaarprocedures werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. In 2011 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid per 2009, maar het UWV concludeerde na onderzoek dat er geen toename van beperkingen was volgens het eerder vastgestelde ziektebeeld en Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van het UWV ongegrond, omdat het medisch oordeel zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was en appellant geen bewijs leverde van toegenomen beperkingen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten en verzocht om volledige arbeidsongeschiktheid per 30 november 2011.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende onderbouwing gaf om het oordeel van de rechtbank te weerleggen en dat het UWV terecht geen nieuwe arbeidsdeskundige beoordeling nodig achtte. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitkering blijft ongewijzigd wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.