ECLI:NL:CRVB:2015:1110

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 april 2015
Publicatiedatum
8 april 2015
Zaaknummer
13-3766 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij Ziektewet-uitkering

Appellant, die een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, meldde zich met terugwerkende kracht ziek bij het UWV. Na een advies van de verzekeringsarts weigerde het UWV een Ziektewet-uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar deed dit te laat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.

In hoger beroep handhaafde appellant het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was, onderbouwd met een tweede besluit en een behandelingsplan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat er geen medische gegevens waren die de late indiening konden rechtvaardigen, mede omdat het behandelingsplan niet betrekking had op de relevante termijn.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding van het bezwaarschrift.

Uitspraak

13/3766 ZW
Datum uitspraak: 3 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
30 mei 2013, 13/835 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Appellant is verschenen vergezeld door zijn vader en mr. S.G.C. van Ingen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant ontving laatstelijk een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en heeft zich in september 2012 met terugwerkende kracht tot januari dan wel augustus 2011 bij het Uwv ziek gemeld. Op 23 oktober 2012 heeft hij een onderhoud gehad met een verzekeringsarts. Overeenkomstig het advies van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 7 november 2012 geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen.
1.2.
Op 30 november 2010 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van
7 november 2012. Bij besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat appellant te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 november 2012 en dat beoordeeld dient te worden of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. In de door appellant aangevoerde redenen heeft de rechtbank geen aanleiding gezien deze overschrijding verschoonbaar te achten. Niet alleen heeft appellant het schrijven waardoor hij stelt in verwarring te zijn gebracht niet in geding gebracht doch in het besluit van 7 november 2012 staat ondubbelzinnig vermeld dat daartegen vóór 21 november 2012 bezwaar kon worden gemaakt. Ook de door appellant aangevoerde redenen, direct verband houdende met zijn vermeende psychische gesteldheid kunnen niet worden aangemerkt als verontschuldiging voor de termijnoverschrijding. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 10 maart 2013 ingenomen standpunt.
3. In hoger beroep is, op in essentie gelijke gronden als in bezwaar en beroep, door appellant het standpunt gehandhaafd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hierbij heeft appellant een tweede besluit van 7 november 2012 waarbij het Uwv aan appellant heeft bericht dat, omdat hij geen aanspraak heeft op een ZW-uitkering, het betaalde voorschot van hem wordt teruggevorderd, aan de Raad gezonden. Tevens heeft appellant een behandelingsplan met bijbehorende bijlagen in geding gebracht.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4.1.
De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.2.
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Aan de orde is uitsluitend de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4.3.
Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd is geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De aan de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daarbij overweegt de Raad dat er geen (medische) gegevens beschikbaar zijn waaruit naar voren komt dat het niet in acht nemen van de juiste bezwaartermijn verschoonbaar is. De gegevens uit het behandelingsplan hebben geen betrekking op de periode 7 november 2012 tot 21 november 2012, zodat hieraan geen aanknopingspunten voor een mogelijke verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding zijn te ontlenen.
5. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2 en 4.3 is overwogen is er geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) H.J. Dekker

TM