Uitspraak
OVERWEGINGEN
26 februari 2013 (de datum in geding) niet ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was tot 1 april 2011 werkzaam als visfileerder en ontving daarna een WW-uitkering. Hij meldde zich op 8 februari 2013 arbeidsongeschikt. Op 26 februari 2013 oordeelde een verzekeringsarts dat appellant geschikt was voor zijn maatgevende arbeid, waarna het UWV het ziekengeld stopzette.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op medische gronden ongeschikt was voor zijn werk op de datum in geding.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische klachten verergerd waren en hem verhinderen te werken, maar hij overlegde geen nieuwe medische gegevens die dit onderbouwen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellant niet ongeschikt was voor zijn arbeid.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het ziekengeld bevestigd.