ECLI:NL:CRVB:2015:1081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand naar alleenstaandennorm bij gezamenlijke huishouding
Appellante ontvangt sinds 2001 bijstand volgens de norm voor een alleenstaande met toeslag. Na melding dat een ander sinds 2011 bij haar woont, heeft het college de toeslag verlaagd wegens gedeelde kosten. In 2013 trok het college de bijstand in omdat appellante een gezamenlijke huishouding voert.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat er geen sprake is van wederzijdse zorg en dat haar verklaring onjuist is. De Raad oordeelt dat de gezamenlijke huishouding objectief moet worden beoordeeld aan de hand van verblijf en wederzijdse zorg.
De Raad stelt vast dat appellante en de ander op hetzelfde adres wonen en dat sprake is van financiële verwevenheid, zoals gezamenlijke betaling van huur en energiekosten, gedeelde boodschappen en zorg. De verklaring van appellante is rechtsgeldig en zij kon de inhoud begrijpen.
Hierdoor is voldaan aan de criteria voor een gezamenlijke huishouding en heeft appellante geen recht meer op bijstand naar de alleenstaandennorm. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellante voert een gezamenlijke huishouding en heeft geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.