ECLI:NL:CRVB:2015:1080
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet aannemelijk maken feitelijke woonplaats
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en gaf een wijziging van zijn woonsituatie door. Na onderzoek stelde het college vast dat appellant zijn hoofdverblijf had op een opgegeven adres. Toen bleek dat appellant sinds september 2012 niet meer op dat adres stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen, schortte het college de bijstand op en nodigde appellant uit voor een gesprek om dit te herstellen.
Appellant verscheen niet op de zitting, maar verklaarde later dat hij niet zelf was uitgeschreven en vermoedde dat een deurwaarder dit had gedaan. Hij herinschreef zich later samen met de hoofdbewoner op het adres. Desondanks trok het college de bijstand met terugwerkende kracht in omdat appellant niet tijdig aannemelijk had gemaakt dat hij feitelijk op het adres woonde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit. De Raad oordeelde dat appellant niet binnen de hersteltermijn de gevraagde bewijsstukken had geleverd, en dat het college terecht de bijstand introk op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB. De herinschrijving na uitschrijving was onvoldoende om het besluit te vernietigen. Het hoger beroep faalde en de uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 1 november 2012 wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij feitelijk woonde op het opgegeven adres.