ECLI:NL:CRVB:2015:108

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 januari 2015
Publicatiedatum
23 januari 2015
Zaaknummer
13-5577 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin is vastgesteld dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Centrale Raad van Beroep.

Appellante voerde aan dat haar psychische beperkingen onvoldoende waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat haar fysieke beperkingen door fibreuze dysplasie en het sikkelcelgendragerschap onvoldoende waren erkend. Zij stelde tevens dat de geselecteerde functies niet passend waren bij haar beperkingen.

De Raad oordeelde dat het UWV de ernst en omvang van de beperkingen juist had vastgesteld, mede gelet op de rapporten van de verzekeringsarts en de brieven van de psychiater. De Raad vond geen aanleiding om verdergaande beperkingen aan te nemen dan in de FML waren vermeld. Ook de bezwaren tegen de geschiktheid van de geselecteerde functies werden verworpen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt daarom bevestigd.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd.

Uitspraak

13/5577 WIA
Datum uitspraak: 23 januari 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
5 september 2013, 12/2466 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2014. Appellante is verschenen met bijstand van mr. R.J. Ouderdorp, advocaat.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 16 mei 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 16 juni 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 27 augustus 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Zij heeft gesteld dat haar psychische beperkingen onvoldoende tot uitdrukking komen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij gewezen op brieven van haar behandelend psychiater D. Balraadjsing. Tevens heeft zij gesteld dat zij, gelet op de bij haar vastgestelde fibreuze dysplasie, geen tien kilo kan tillen noch 60 minuten achtereen kan staan en dat haar vermoeidheidsverschijnselen voortvloeien uit het feit dat zij sikkelcelgendraagster is. Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat de geselecteerde functies niet passen bij haar psychische beperkingen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de gronden gericht tegen de medische grondslag van het bestreden besluit geen doel treffen. De Raad ziet evenals de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de ernst en omvang van de beperkingen van appellante, zoals deze zijn weergegeven in de FML van 9 mei 2012 en toegelicht in de rapporten van verzekeringsarts bezwaar en beroep W.M. Koek, heeft onderschat. Uit de overgelegde brieven van psychiater Balraadsing leidt de Raad af dat appellante onder behandeling is gekomen in verband met een matig ernstige depressie en dat eerst ná 16 juni 2012 de klachten gaandeweg zijn verergerd. De Raad kan zich vinden in de reactie van 8 januari 2014 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep Koek dienaangaande. Dat geldt ook voor haar standpunt dat voldoende rekening is gehouden met de fibreuze dysplasie en dat de omstandigheid dat appellante draagster is van het sikkelcelgen in haar situatie niet betekent dat zij lijdende is aan de ziekte. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat op basis van de beschikbare gegevens er geen aanleiding is om verdergaande beperkingen aan te nemen dan neergelegd in de FML.
4.2.
Eveneens met juistheid heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De Raad schaart zich dienaangaande achter de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.
4.3.
Uit het overwogene bij 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2015.
(getekend) D.J. van der Vos
(getekend) M. Crum

QH