ECLI:NL:CRVB:2015:1058
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor geselecteerde WAO-functies
Appellant, werkzaam als chef corveedienst, ontving sinds 2003 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45%. Na een ziekmelding in november 2010 werd hem een Ziektewetuitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkering per 11 juni 2012 omdat appellant volgens verzekeringsartsen geschikt werd geacht voor ten minste één van de functies die in het kader van de WAO-beoordeling waren geselecteerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en appellant geen medische gegevens had aangeleverd die zijn ongeschiktheid voor de geselecteerde functies onderbouwden. In hoger beroep handhaafde appellant zijn stelling dat hij ernstige psychische beperkingen heeft, onderbouwd met een psychiatrisch rapport van een latere datum.
De Raad overwoog dat de maatstaf voor geschiktheid de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid is, met uitzondering van gevallen waarin de verzekerde na de maximale duur van ziekengeld blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk. Dan geldt de geschiktheid voor één van de geselecteerde WAO-functies als maatstaf. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek was zorgvuldig en de gegevens van de psychiater hadden geen betrekking op de datum van het besluit. De Raad concludeerde dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering heeft beëindigd en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt werd geacht voor één van de geselecteerde WAO-functies.