ECLI:NL:CRVB:2015:1046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-loonaanvullingsuitkering wegens voldoende medische grondslag
Appellant ontving vanaf 1 september 2011 een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV stelde bij besluit van 4 oktober 2011 vast dat appellant vanaf 5 december 2011 geen recht meer had op deze uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Dit besluit werd in bezwaar en beroep bevestigd.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat het oordeel van de onafhankelijke oogarts en verzekeringsartsen leidend was en dat appellant met zijn medische beperkingen in staat was de geselecteerde functies te vervullen. De Raad onderschreef dit oordeel en verwierp het hoger beroep van appellant, die stelde dat zijn psychische en visuele beperkingen onvoldoende waren meegewogen.
De Raad concludeerde dat de medische rapporten zorgvuldig en volledig waren, dat de psychische klachten adequaat waren onderzocht en dat de aanvullende stukken van appellant geen aanleiding gaven tot heroverweging. De intrekking van de uitkering blijft daarmee gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WGA-loonaanvullingsuitkering omdat appellant medisch gezien in staat wordt geacht de werkzaamheden te verrichten.