Uitspraak
21 februari 2013, 12/3037 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Na meerdere heronderzoeken werd haar uitkering in 2008 vastgesteld op 55-65% arbeidsongeschiktheid. In 2011 trok het UWV de uitkering in, stellende dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. Het bezwaar van appellante werd in 2012 gegrond verklaard, waarna haar uitkering werd herzien naar 45-55%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat de beperkingen niet waren onderschat. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen wel werden onderschat en dat zij de geselecteerde functies niet kon vervullen, en verzocht om een onafhankelijk medisch deskundige.
De Raad oordeelde dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De subjectieve klachten van appellante boden geen voldoende grondslag voor een andere beoordeling. Ook was er geen nieuwe medische informatie die het standpunt van appellante ondersteunde.
Verder werd vastgesteld dat appellante in staat was de werkzaamheden van de geselecteerde functies te verrichten en de benodigde interne opleidingen te volgen. Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel waren niet geschonden. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.