ECLI:NL:CRVB:2015:1044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens herstel arbeidsgeschiktheid
Appellant, voormalig woonconsulent, meldde zich ziek met hand- en rugklachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Na medisch onderzoek verklaarde de verzekeringsarts hem per 3 september 2012 hersteld voor arbeid, waarna het UWV de uitkering beëindigde. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn klachten onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant geen medische informatie had overgelegd die een andere beoordeling rechtvaardigde. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en overhandigde aanvullende medische stukken, maar deze bevatten geen objectieve gegevens die het oordeel van het UWV ondermijnen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van artikel 19 ZW Pro het recht op ziekengeld afhankelijk is van objectief medisch vastgestelde ongeschiktheid. De medische stukken van appellant ondersteunen niet dat hij op 3 september 2012 nog arbeidsongeschikt was. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.