Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:876

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2014
Publicatiedatum
18 maart 2014
Zaaknummer
13-1585 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 AOWArt. 17a AOWArt. 24 AOWArt. 49 AOWArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering toeslag AOW wegens niet gemelde PGB-inkomsten

Appellante, als erfgenaam van haar overleden echtgenoot, betwistte de herziening en terugvordering van een te veel betaalde toeslag AOW over de periode augustus 2008 tot juli 2009. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had de toeslag ingetrokken en teruggevorderd omdat appellante toen inkomsten had uit een persoonsgebonden budget (PGB) die niet waren gemeld.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat appellante en haar echtgenoot de inlichtingenplicht hebben geschonden door de PGB-inkomsten niet te melden, ondanks dat de Svb hen hierover had geïnformeerd bij de aanvraag van het ouderdomspensioen.

De Raad stelt dat het beleid van de Svb, dat herziening met terugwerkende kracht mogelijk maakt tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, correct en consistent is toegepast. Er zijn geen dringende redenen of bijzondere omstandigheden die afzien van herziening of terugvordering rechtvaardigen. De terugvordering van €8.701,28 blijft daarom gehandhaafd.

Appellante heeft geen gronden aangevoerd die specifiek de wijze van invordering bestrijden. De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de toeslag AOW blijven in stand.

Uitspraak

13/1585 AOW, 13/3442 AOW
Datum uitspraak: 7 maart 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 29 januari 2013, 12/4005 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante], als erfgenaam van [betrokkene], te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.W.G.J. de Haas hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Svb heeft op 12 april 2013 een beslissing op bezwaar genomen met betrekking tot de invordering. Namens appellante is beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft het beroepschrift van appellante doorgezonden aan de Raad.
Bij brief van 13 januari 2014 heeft mr. De Haas het standpunt van appellante nader toegelicht. Daarbij zijn tevens diverse stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2014. Appellante is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar dochter [dochter appellante] en mr. De Haas. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1944, is gehuwd geweest met [betrokkene], geboren [in] 1939. De echtgenoot van appellante heeft in mei 2004 een aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante geen inkomsten had. De Svb heeft vervolgens aan de echtgenoot van appellante een formulier gezonden waarop alle wijzigingen in de persoonlijke situatie vermeld staan die gemeld moeten worden aan de Svb. Bij besluit van 26 juli 2004 heeft de Svb met ingang van november 2004 aan de echtgenoot van appellante een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend alsmede een volledige toeslag ingevolge die wet. Bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag is de Svb ervan uitgegaan dat appellante geen inkomsten had.
1.2. De Svb heeft de aan de echtgenoot van appellante toegekende toeslag per augustus 2009 ingetrokken, omdat appellante in die maand de leeftijd van 65 jaar zou bereiken. Tevens is toen aan appellante een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend.
1.3. In september 2010 is de Svb, naar aanleiding van gegevens verkregen van de Belastingdienst, gestart met een onderzoek naar de inkomsten van appellante vanaf 2008. In de loop van dit onderzoek is de echtgenoot van appellante op 26 maart 2011 overleden. In augustus 2011 heeft een zoon van appellante aan de Svb meegedeeld dat appellante vanaf augustus 2008 tot haar 65e verjaardag inkomsten heeft gehad uit een aan haar echtgenoot, in verband met hersenletsel na een hartstilstand, toegekend persoonsgebonden budget (PGB).
1.4. Bij besluiten van 26 augustus 2011 heeft de Svb de aan de echtgenoot van appellante toegekende toeslag herzien over de periode vanaf augustus 2008 tot en met juli 2009 en nader vastgesteld op nihil, en is de over die periode onverschuldigd betaalde toeslag ad € 8.701,28 van de erven van [betrokkene] teruggevorderd.
1.5. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten en heeft daarbij aangevoerd dat sprake is van nalatigheid en onzorgvuldigheid van de Svb, omdat ook de PGB-betalingen door de Svb werden overgemaakt aan haar. Desgevraagd is namens appellante verklaard dat zij de enige erfgenaam is van [betrokkene].
1.6. Bij besluit van 25 juni 2012 (besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante en haar echtgenoot niet voldaan hebben aan de inlichtingenplicht door de inkomsten uit het PGB niet zelfstandig te melden aan de Svb. Voorts was het de Svb niet bekend dat appellante inkomsten had uit het PGB. Deze inkomsten werden weliswaar uitbetaald door het Servicecenter PGB van de Svb, maar de activiteiten van het Servicecenter vallen niet onder de publiekrechtelijke taak van de Svb en daarom mag het Servicecenter geen informatie verstrekken aan andere instanties. Het bezwaar van appellante gericht tegen de invordering is niet-ontvankelijk verklaard.
1.7. Bij besluit van 27 juni 2012 heeft de Svb aan appellante medegedeeld dat het teruggevorderde bedrag in één keer overgemaakt moet worden.
1.8. Bij besluit van 12 april 2013 (besluit 2) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 juni 2012 gegrond verklaard, voor zover dit betrekking heeft op de wijze van terugbetaling van de te veel betaalde toeslag AOW. De Svb heeft nader beslist dat het te veel ontvangen bedrag in één keer of in termijnen overgemaakt dient te worden voor
11 februari 2014.
2.
De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de afdeling van de Svb die verantwoordelijk is voor de toeslag AOW niet op de hoogte was van de inkomsten van appellante. De rechtbank heeft opgemerkt dat het voorstelbaar is dat het appellante niet duidelijk is geweest dat de informatie over de PGB-inkomsten niet bekend was op de afdeling die de toeslag AOW uitvoerde, maar dat dit appellante niet ontslaat van de plicht die inkomsten te melden. Tevens is overwogen dat appellante had kunnen onderkennen dat haar echtgenoot te veel toeslag ontving en dat geen sprake is van een situatie waarin iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3.1.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de Svb bekend was met de
PGB-inkomsten van appellante, omdat de Svb de administratie en verloning van het PGB verzorgde. De Svb heeft niets met deze gegevens gedaan en heeft de situatie waarin te veel toeslag werd ontvangen onnodig lang in stand gelaten. Voorts is een beroep gedaan op dringende redenen, omdat appellante de administratie nooit heeft verzorgd en zij door de omstandigheden waarin zij vanaf medio 2008 verkeerde niet in staat was de administratie zelf ter hand te nemen of dat door anderen te laten doen.
3.2.
Namens appellante is beroep ingesteld tegen besluit 2. De rechtbank heeft het beroepschrift vervolgens, kennelijk met toepassing van artikel 4:125 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), doorgezonden aan de Raad.
3.3.
Ter zitting heeft een dochter van appellante de situatie rond en na het overlijden van
[betrokkene] nader toegelicht. Tevens is - kort samengevat - aangevoerd dat sprake was van een onduidelijke situatie, waardoor het appellante niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat te veel toeslag AOW werd ontvangen en dat de herziening en terugvordering onevenredig zijn mede gelet op het bepaalde in artikel 3:4 van Pro de Awb. Voorts is desgevraagd verklaard dat het appellante met name gaat om de herziening en de terugvordering en dat er geen specifieke gronden zijn tegen de wijze van invordering.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven ten aanzien van de herziening van de toeslag AOW en de terugvordering van de te veel betaalde toeslag.
4.2.
Voorop moet worden gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de echtgenoot van appellante over de periode van augustus 2008 tot en met juli 2009 geen recht had op een toeslag AOW, omdat appellante toen PGB-inkomsten had die zodanig waren dat ook rekening houdend met een vrijgesteld deel van de inkomsten de toeslag op nihil moest worden vastgesteld. Verder is tussen partijen evenmin in geschil dat de Svb op grond van de artikelen 17 en 17a van de AOW verplicht is tot herziening van de toeslag met terugwerkende kracht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de Svb, gelet op de omstandigheden van dit geval, geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van de herziening.
4.3. De Svb heeft beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend.
4.4.
Voorts blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van Pro de Awb geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Daarbij is van belang de mate waarin een betrokkene en de Svb een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin de herziening onevenredig ingrijpend is in het dagelijks leven van de betrokkene. Als sprake is van kennelijke onredelijkheid dan wordt de herziening in beginsel beperkt tot de helft. Indien de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven kan de Svb van dit uitgangspunt afwijken.
4.5.
Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak van 5 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352), moet het hiervoor onder 4.3 en 4.4 weergegeven beleid van de Svb aangemerkt worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.
4.6.
Allereerst moet vastgesteld worden dat de Svb de echtgenoot van appellante reeds bij de aanvraag om een ouderdomspensioen heeft geïnformeerd - door middel van een wijzigingsformulier - over voor de aanspraak op een toeslag relevante omstandigheden, zoals het inkomen van de partner. Verder hebben appellante en/of haar echtgenoot na de toekenning van het PGB niet aan de Svb gemeld dat appellante daarvan een deel als inkomen ontving. Daardoor hebben zij de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 49 van Pro de AOW geschonden. Ter zitting is nader toegelicht dat appellante en andere familieleden zich er niet van bewust zijn geweest dat de PGB-inkomsten van appellante van belang waren voor de aanspraak op en de hoogte van de toeslag AOW. Hoewel begrijpelijk is te achten dat appellante na het hersenletsel van haar echtgenoot en de daarop volgende verzorging van hem, niet direct een overzicht had van de door de echtgenoot beheerde administratie, had van haar toch in ieder geval vanaf de toekenning van het PGB verwacht mogen worden dat zij zich - al dan niet met hulp van anderen - had verdiept in de gevolgen daarvan voor onder meer de toeslag AOW. Uit de hiervoor al genoemde door de Svb bij de aanvraag van het ouderdomspensioen verstrekte informatie was dan gebleken dat de inkomsten van belang zijn voor de aanspraak op en de hoogte van de toeslag en onverwijld gemeld dienden te worden. Dit alles leidt tot de slotsom dat appellante en haar echtgenoot de mededelingsplicht hebben geschonden en dat het hen redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat vanaf augustus 2008 te veel toeslag werd ontvangen, zodat er voor de Svb geen aanleiding bestond om op grond van het beleid geheel af te zien van herziening.
4.7.
Voorts is niet gebleken dat de Svb het hiervoor onder 4.4 omschreven - op artikel 3:4 van Pro de Awb gebaseerde - onderdeel van het beleid in dit geval niet consistent heeft toegepast. Namens appellante is aangevoerd dat de Svb bekend had kunnen zijn met de inkomsten van appellante, omdat zij die ontving via het PGB Servicecenter van de Svb. Door de Svb is in reactie hierop toegelicht dat de activiteiten van het Servicecenter niet vallen onder de Svb als bestuursorgaan behorend tot een publiekrechtelijk lichaam, en dat het Servicecenter vanwege de bescherming van persoonsgegevens geen informatie mag verstrekken aan andere instanties, zoals andere afdelingen van de Svb. Dit betekent dat niet gezegd kan worden dat de Svb in enige mate een verwijt kan worden gemaakt en dat geen sprake is geweest van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Ook de overige namens appellante genoemde, weliswaar trieste en ingrijpende, gebeurtenissen kunnen niet aangemerkt worden als zodanig bijzondere omstandigheden dat de Svb daarin aanleiding had moeten zien de herziening te beperken.
4.8.
Ten aanzien van de terugvordering ad € 8.701,28 moet voorop worden gesteld dat de Svb op grond van artikel 24 van Pro de AOW gehouden is tot terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslag. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb ingevolge het vierde lid van artikel 24 van Pro de AOW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hier bedoeld kunnen ingevolge vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de - financiële en/of sociale - gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Gesteld noch gebleken is dat appellante ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt, zodat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering afgezien kan worden.
4.9.
Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden. Nu ten aanzien van het besluit van 12 april 2013 door en namens appellante geen andere dan de hiervoor besproken gronden zijn aangevoerd en desgevraagd is verklaard dat er geen sprake is van gronden die specifiek betrekking hebben op de wijze van invordering, moet geconcludeerd worden dat het beroep gericht tegen dat besluit ongegrond moet worden verklaard.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 april 2013 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2014.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) I.J. Penning

HD